Sat. Mar 21st, 2026

Terwijl Jasper Philipsen de gehoopte vertrouwensboost binnensleepte, zagen landgenoten Alec Segaert en Jordi Meeus hun inspanningen minder beloond. De ene strandde in het zicht van de meet, de andere beet zijn tanden stuk in de sprint. Bij beiden overheerst een gevoel van ontgoocheling, gepaard met het nodige realisme.

Op veertien kilometer van de meet achtte Alec Segaert zijn moment gekomen. Met een aanval van achteruit op de kasseien van Doorn sloeg hij in een mum van tijd een kloof van een 30-tal seconden. “Ik wist dat dat lastigste deel was en de wind stond vanaf daar gunstig”, laat hij ons achteraf meekijken in zijn hoofd. “Ik kon met snelheid een gat slaan en vol doorgaan.”

Wat volgde was een kilometerslange marteling voor de jonge hardrijder. “Het deed afschuwelijk veel pijn in de benen, lactaat tot en met”, zo voelt dat dus. Maar hij – en met hem de hele aankomstzone – bleef er wel volop in geloven. Tot het muntje op 50 meter van de meet toch de andere kant op viel.

En net dat maakt het voor Segaert des te pijnlijker. “Ik vroeg me nog even af hoe dat toch mogelijk is, maar met tegenwind en sprinters op volle snelheid is het gewoon moeilijk.” Het overheersende gevoel vat hij zelf mooi samen: “We doen het om die euforie te voelen, maar pijn zonder euforie doet dubbel zeer.”

In het sprintende peloton ook een, weliswaar kleine, ontgoocheling voor man in vorm Jordi Meeus. Tegen een sterke machtssprint van Jasper Philipsen was hij niet opgewassen en dat gaf hij zelf ook eerlijk toe: “Ik had liever gewonnen, maar ik kan ermee leven om op deze manier tweede te worden.”

Uiteraard hoopte hij op meer, maar realistisch is hij evenzeer na een sprintnederlaag tegen zijn goede vriend. “Jasper is gewoon een renner van wereldklasse. Qua palmares staat hij sowieso boven mij dus ik gun hem zeker die eerste zege van het seizoen.”

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *